Terug naar het menu
De Ator
door Erik Bouwman 8 november 2011
Ik ben een alligator,
Een massamasturbator.
Het liefst maak ik en plein public
Een hele meute mensen ziek
Lach me daarbij een kriek.

Ik ben een ratelslang,
En maak de mensen bang.
Want wie niet naar mij kijken wil,
Bijt ik gevoelig in de bil
En draag daarbij geen bril.

Ik weet verschrikkelijk veel,
Ben intellectueel.
De kwelbuis is mijn liefste terp,
Daarom zet ik mijn bril op scherp
En sier mij met een sjerp.

Ik ben zo vreselijk goed,
Weet best wel hoe dat moet.
Draai heel de wereld om mijn pink,
Wie mij niet mag, die maakt mij link
Totdat ik hem verzink.

Ik ben bijkans een god,
En lach me steeds kapot,
Als men in mij trapt, telkens weer,
Daarom doe ik het nog een keer,
Want er is geen verweer.

Ik ben beter dan de goden,
Men heeft mij nooit verboden.
Van die gezindten ben ik vrij,
En dat maakt mij bijzonder blij,
Want ik ben toch een kei.

Ik oreer voor vox populi,
Want van mij zijn er echt geen drie
En voel mij nummer een.
Wie dat niet vindt: gaat heen,
Maar ze kleven aan mijn been.

Ik wordt ietwat bejaard,
En ook minder behaard.
Een pruikje hier, een liftje daar,
Dat houdt het zaakje bij elkaar,
Want men heeft mij toch maar.

Ik kijk niet meer in de spiegel,
Dat beeld dat maakt me kriegel,
Maar wel naar beelden van weleer,
Met veel genoegen, telkens weer;
Ik was immers die heer.

Ik ben een masturbator,
Een oude alligator,
Want het publiek herkent mij niet,
Een kluitje stuurt mij in het riet,
En dat bevalt mij niet.

Ik wordt ietwat seniel,
Nog net geen pedofiel,
Terwijl ik aan die schare denk,
Behandeld als een godsgeschenk,
Door Truus en Miep en Henk.

Nu lig ik in mijn kist,
Gebeurd voor ik het wist.
Geen tijd meer voor een laatste wens,
Geen flitslicht en dus ook geen lens,
Verhip... ik was een mens.