Terug naar het menu


“Eigenlijk is dit gewoon de Wetbuurt”, zegt Cor.

Cor van Dijk

Cor van Dijk (1927) woont vrijwel zijn gehele leven in Amsteldorp. Dit geldt ook voor zijn vrouw Annie, die in de Celsiusstraat is geboren. Ze hebben een zoon en dochter, die ook met hun gezinnen in Amsteldorp wonen.

“Eigenlijk is dit gewoon de Wetbuurt”, zegt Cor. “De Wetbuurt bestond vroeger uit de Reaumurstraat, Fahrenheitstraat, Celsiusstraat, Torricellistraat, Von Guerickestraat en een gedeelte van de Weesperzijde. Deze straatjes vormden oorspronkelijk de gemeente Watergraafsmeer. Verder waren er slechts weilanden en een paar boerderijen. De straten hadden destijds Zuid-Afrikaanse namen. Zo heette de Celsiusstraat de Paul Krugerstraat en komt de naam van de Wetbuurt van Christiaan de Wet, een boerengeneraal uit de 2e Boerenoorlog in Zuid-Afrika. Toen de Watergraafsmeer in 1921 onder de gemeente Amsterdam kwam te vallen, was er een probleem. In Amsterdam Oost bestond er al een Zuid-Afrikaanse wijk, de Pretoriusbuurt en twee Zuid-Afrikaanse wijken in één stad was geen optie. Ze hebben dit toen opgelost door de straten in de Wetbuurt naar natuurkundigen te vernoemen.”

Vervolgens vertelt Cor, dat er vroeger bij de Omval aan de Weesperzijde een industrieterrein was. Hier stonden de twee chocoladefabrieken Blookers en Korf, de essencesfabriek Maschmeijer en de veevoedersfabriek Bertels. “Met een bepaalde wind hadden we veel geurtjes in de buurt. We hadden de heerlijke geuren van Blooker, Korf en Maschmeijer én de smerige geur van het Bertels.” Ook herinnert Cor zich nog de vele kooplui in de wijk. “Er was slechts één manier om het dorp in te komen en dat was via de Weesperzijde. De wielen van de karren hadden toen nog geen banden. Het staal van de wielen zorgde voor een machtig lawaai op de straatstenen.” Naast de vele arbeiders woonden er ook relatief veel politieagenten in de Wetbuurt, wel 17. De vader van Cor was ook agent. “Hij verdiende niet veel en we zeiden altijd: Vaste baan, vaste armoe. Je kunt je wel voorstellen, dat we met zoveel politieagenten in de buurt niet aan de misdaad konden beginnen,” zegt hij gekscherend.

Een paar jaar voor de Tweede Wereldoorlog werd het weiland met zand opgespoten zodat er huizen konden worden gebouwd. Tijdens de oorlog lagen er nog hele stukken braak. Hier is later het ‘rode dorp’, de wijk met de rode daken, gebouwd. Vanwege haar ligging was de wijk erg interessant voor de Duitsers en stond er veel zwaar geschut. Cor herinnert zich hoe hij met de jongens uit de buurt op zoek ging naar granaatscherven in de bouwgrond. Dan vertelt hij over de vele Joodse buren en vriendjes, die in de oorlog zijn afgevoerd. “We begonnen met 32 kinderen in de klas. Op een gegeven moment waren het er nog maar 14. In het begin dachten we, dat die kinderen waren verhuisd. Maar op een zeker moment wisten we, dat het niet klopte.”

Na de oorlog kwamen er veel arbeiders van de Nederlandse Spoorwegen in het dorp wonen, vooral op de Von Liebigweg. Als Cor terugdenkt aan vroeger mist hij de gezelligheid en levendigheid van de verenigingen, die er toen allemaal waren. “In de speeltuin waren clubs voor botenbouw en zweefvliegtuigbouw, maar we hadden ook wandel- en schietclubs en zelfs een operettevereniging. Hiernaast werden er straatwedstrijden voor hardlopen en wielrennen gehouden. We hadden ook een voetbalvereniging, JOS. Ik ben al 75 jaar lid van die club”.

Hij heeft het idee, dat de mensen tegenwoordig onvoldoende de tijd voor elkaar nemen. Ondanks dat hij zich thuis voelt in de wijk voelt hij ook een grote verbondenheid met de kust. “Mijn vader komt uit de Bollenstreek. Ik heb er zelf nooit gewoond, maar ik houd van de kust en de rust”. Ondertussen woont Cor met zijn vrouw boven het Hoekhuis. “Vroeger stond op deze plek de Abraham van Riebeekschool. Ik woon dus in feite boven mijn oude school”.

Irene Peters, juni 2015