Terug naar het menu


Je moest wel opletten voor NSB-ers natuurlijk maar een razzia is er nooit geweest.

Van puber tot volwassene in de oorlog

Tijdens de tweede oorlog woonde Jo nog in Brabant. Ze was 15 toen de oorlog uitbrak.

"Breda," zegt ze, "werd in oktober 1944 bevrijd. De ellende van de honger zoals hier in Amsterdam hebben we daar niet meegemaakt. In Brabant waren er ook mensen die het niet zo best hadden maar papa zei altijd mensen die hier honger lijden zijn te lui om te eten. Er was genoeg te eten."

Haar vader was zetbaas in een bakkerij en een vakman tot in de toppen van zijn vingers volgens Jo. "Als je zag wat hij met brood allemaal deed, vaak stond ik met verbazing te kijken," zegt zij.

De bakkerij lag echt in Breda en hun woonhuis stond aan de rand van de stad.

Tijdens de oorlog hebben zij altijd mensen in huis gehad zowel joden als Duitsers. Jo vertelt: "Op een keer hadden we een meisje dat uit Rotterdam kwam. Ze was het water over gezwommen en was vanuit Moerdijk naar Breda gelopen. Dat is potverdikke toch een heel eind. Als een verzopen kat stond ze voor de deur. Na twee dagen in bed en goed eten was ze beter en hebben we haar laten onderduiken. Ik ben altijd benieuwd geweest hoe het met haar is afgelopen."

Maar zij was niet de enige die onderdak kreeg gehad in het huis van Jo's ouders. In de kelder heeft bijvoorbeeld ook een half jaar lang een joodsgezin, bestaande uit vader, moeder, dochter en schoonzoon gewoond. De kelder, bestaande uit 2 delen, had aan de voorkant geen ramen maar aan de achterkant gelijk met de tuin wel. Er stonden bedden en een tafel met stoelen. De ramen waren afgedekt met een ijzeren rek en een houten schot. Zodra het kon trok Jo dat weg en dan kon het raam open.

De ingang naar de kelder zat oorspronkelijk in een kast maar die was gecamoufleerd met een dubbele vloer.

"Op een gegeven moment werd er 's morgens op de vloer geklopt," zegt Jo, "en heeft mijn vader het luik opengemaakt. De joodse vader vertelde dat ze zouden vertrekken. Hij kon zijn familie niet langer binnen houden. 'Ze willen perse weg,' zei hij.

"Mijn vader wilde niet dat ze zouden gaan en wilde een andere plek voor hen zoeken. Maar dat was niet makkelijk want overal zaten mensen ondergedoken. Een vriend van mijn vader zat in een hut onder de grond in het bos en daar wilde mijn vader het gezin naar toe brengen, maar de mevrouw wilde echt niet naar de bossen. Ook van hun hebben we nooit meer iets gehoord.

"In principe waren ze redelijk veilig bij ons, want boven in huis waren Duitsers ingekwartierd. Je moest wel opletten voor NSB'ers natuurlijk, maar een razzia is er nooit geweest.

"Omdat de kazernes, scholen, patronaatsgebouwen etc. al overvol zaten met Duitse militairen werden burgers verplicht om ruimte beschikbaar te stellen. Elk huis, hoe klein dan ook."

Ook bij Jo thuis. "Wij hadden 8 stuks," zegt Jo. "En ik kan niet anders zeggen dat de Duitsers die wij in huis hebben gehad stuk voor stuk hele fijne mensen waren. Mensen die verplicht in dienst moesten, ze hadden niets te vertellen. Het regime, dát deugde niet.

"'s Avonds luisterde de militairen samen met mijn vader, die zij papa noemden, naar de radio. Eén van hen was een 2 meter lange dominee en heette Charlie. Toen zij uiteindelijk ze naar het front in Rusland moesten zij één van de andere militairen tegen mijn vader: 'Je zult zien dat ze die lange als eerste neermaaien.' Later kregen wij nog één brief waarin stond: ,,papa ik heb gelijk gehad, Charlie is niet meer..."

Senna, mei 2011